1 Dit zijn de zegenende woorden van Henoch, waarmee hij de uitgekozenen en rechtvaardigen zegent. Degenen die in de dagen van verdrukking zullen leven, die de slechten en boosdoeners zullen afwijzen.
2 De gelijkenis begint zo: ‘Henoch, een rechtvaardig man die met God leefde, sprak met en antwoordde (God), terwijl zijn ogen werden geopend waardoor hij een heilig visioen in de hemel zag. De engelen hebben mij dit getoond en van hen heb ik alles gehoord. Ik begreep wat ik zag, maar niet voor deze generatie, het is voor een (generatie) die over lange tijd zal bestaan.
3 Voor deze uitgekozenen heb ik deze gelijkenis die hen betreft uitgesproken:
4 ‘De Heilige en Almachtige, de God van deze wereld, zal uit Zijn verblijfplaats komen en afdalen naar de berg Sinaï. Hij zal met Zijn leger verschijnen en zich openbaren met de oppermacht van de hemel der hemelen.
5 Iedereen zal van angst verstijven en de wachters zullen sidderen. Tot aan de uiteinden van de aarde zal angst en beven iedereen bevangen.
6 Hoge bergen zullen beven en de hoge heuvels met de grond gelijkgemaakt worden, zij zullen smelten als was in het vuur.
7 De aarde zal doormidden worden gescheurd en alles wat zich op aarde bevindt zal vergaan. Dan zal ieder mens geoordeeld worden, ook de rechtvaardigen, maar hen zal Hij vrede geven.
8 Hij zal de uitgekozenen beschermen en genadig met hen omgaan. Zij zullen allen God toebehoren, voorspoed kennen en gezegend zijn. Hij zal hen allemaal helpen en het licht van God zal hen verlichten, dan zal Hij vrede met hen maken.
9 Zie! Hij komt met tienduizenden heiligen, om het oordeel over hen te vellen, de boosdoeners te vernietigen en al het vleselijke te veroordelen. Alle goddeloze werken die zij goddeloos bedreven hebben en voor alle harde woorden die zij tegen Hem in hun goddeloosheid uitgesproken hebben.