1 Voorafgaand hieraan werd Henoch verborgen en niemand van de mensenkinderen wist waar hij zich verborgen hield, waar hij woonde en wat er van hem geworden was.
2 Hij werd in die dagen geheel in beslag genomen door de heiligen en de wachters.
3 Ik Henoch was bezig de Majestueuze Heer en Koning van Vrede te loven en te prijzen.
4 En zie, wachters riepen mij, Henoch de schriftgeleerde en zeiden tegen mij: ‘Henoch u bent een rechtvaardige schriftgeleerde, wilt u de (andere) hemelse wachters, die de hemel verlaten hebben en zichzelf verontreinigd hebben met vrouwen zoals de mensenzonen dat doen door voor zichzelf een vrouw te nemen, het volgende vertellen:
5 ‘Op aarde zult u nooit vrede kennen of vergeving van zonden.
6 U zult zich niet verheugen over uw nageslacht, maar de afslachting ervan zien. U zult diepbedroefd zijn over de vernietiging van uw zonen en zult voor eeuwig smeken, maar geen genade en vrede ondervinden.’’