Terug naar Bijbel index Terug naar Boek index

Henoch 13


1 Henoch ging naar hem toe en zei: ‘Azazel, u zult geen vrede kennen. Het strenge oordeel is over u geveld om u in boeien te slaan.
2 U zult geen genade vinden en uw verzoek zal niets uitrichten, vanwege het onrecht dat u onderwezen hebt,
3 en vanwege alle goddeloze en onrechtvaardige daden die u aan de mens heeft laten zien.
4 Daarna keerde ik mij van hem af en sprak ik tot de hele groep. Ze werden allemaal doodsbang en beefden hevig. Ze vroegen mij of ik een verzoekschrift voor hen wilde opschrijven waardoor ze toch vergeving ontvangen zouden, dit moest ik dan in aanwezigheid van de Heer van de hemel voorlezen.
5 Vanaf dat moment konden zij Hem namelijk niet langer benaderen of hun ogen naar de hemel opslaan vanwege de schaamte over de zonden die zij begaan hadden.
6 Hierna schreef ik hun verzoekschrift op, de gebeden en verzoeken die hun geest aangingen. Alles wat zij persoonlijk gedaan hadden werd in verband gebracht met deze verzoeken opdat ze vergeving van zonden en rust mochten ontvangen.
7 Toen vertrok ik naar het water van Dan, dat is in het land van Dan, ten zuidwesten van de Hermon. Daar las ik hun verzoekschrift tot ik in slaap viel.
8 Zie, hierna droomde ik, visioenen verschenen mij, ik viel op de grond en zag een visioen van bestraffing. Een stem sprak: ‘Ga en vertel dit aan de hemelse zonen en berisp hen.’
9 Toen ik wakker werd, ben ik opgestaan en naar hen toegegaan. Zij waren allemaal bij elkaar gekomen in Abel, wat tussen Libanon en Syrië in ligt, waar zij met bedekte gezichten zaten te huilen.
10 Ik vertelde hen alle visioenen die ik in mijn droom gezien had. Deze rechtvaardige woorden heb ik als een berisping naar hen toe uitgesproken.