1 Op de volgende plaats waar ik kwam zag ik een vurige berg waar dag en nacht vlammen uitbarstten.
2 Ik liep er omheen en zag zeven verschillende en schitterende bergen. Hun stenen waren overweldigend mooi. Allemaal even overweldigend en te mooi om te beschrijven. Hun oppervlak was prachtig. Drie ervan stonden in het oosten, waarbij de een de ander ondersteunde. Drie stonden in het zuiden elkaar op dezelfde wijze ondersteunend. Er tussenin lagen diepe ravijnen die elkaar niet raakten. De zevende berg stond in het midden en steeg ver boven de anderen uit.
4 Er bovenop stond een troon en om de troon heen waren geurige bomen geplant. Een van de bomen rook zoals ik nog nooit een boom geroken had, hij was ook uniek, geen van de bomen leek erop. Haar geur was uitmuntend en haar bladeren, bloemen en hout is onvergankelijk. Haar vrucht was prachtig en leek op die van de palm.
5 Daarop zei ik: ‘Wat een mooie boom is dit en wat een heerlijke geur, haar bladeren zijn zo mooi en haar bloemen zijn prachtig om te zien.’
6 Hierop antwoordde Michaël, een van de heilige en schitterende engelen die mij begeleidden en die hun leider was.