1 In die dagen zullen de heiligen en uitgekozenen uit de hoge hemel afdalen en zij zullen zich tussen de mensenkinderen mengen.
2 Henoch ontving in die dagen boeken over verontwaardiging en onrust en over haast en irritatie. ‘Genade zullen zij niet kennen,’ zegt de Heer der geesten.
3 Een wervelwind tilde mij op van de aarde en voerde mij naar het einde van de hemel.
4 Daar zag ik een volgend visioen, het waren de verblijfplaatsen van de heiligen en de rustplaatsen van de rechtvaardigen.
5 Ik zag dat hun woningen bij de engelen waren en hun bedden bij de heiligen. Zij deden verzoeken en voorbede en gebeden voor de mensenkinderen. Rechtvaardigheid stroomde als water naar hen toe en genade bedekte hen als de dauw op aarde. Zo zal het voor hen zijn, eeuwig en altijddurend.
6 Daar zag ik de verblijfplaats van degenen die uitgekozen zijn vanwege hun geloof, waarachtigheid en rechtvaardigheid. Rechtvaardigheid zal in die dagen floreren. Ontelbaar zullen de heiligen en uitverkorenen zijn, in nabijheid van God, voor eeuwig en altijd.
7 Ik zag dat zij rust vonden onder de vleugels van de Heer der geesten. Alle heiligen en uitgekozenen zongen uit volle borst voor Hem, sterk als brandende toortsen. Hun mond zal vervuld zijn van zegeningen en vanaf hun lippen zal de Heer der geesten verheerlijkt worden. Oprechtheid zal eeuwig voor Hem standhouden.
8 Ik wilde daar het liefste blijven, mijn ziel verlangde ernaar om daar te gaan wonen. Vooraf is het mijn deel al geweest, want de Heer der geesten heeft dat zo voor mij bepaald.
9 Toen verheerlijkte en prees ik de Naam van de Heer der geesten vol lof en aanbidding. Want Hij heeft die plaats gemaakt vol lof en aanbidding, omdat Hij daar zelf zo van houdt.
10 Zo lang het kon hebben mijn ogen die plaats bekeken. Ik loofde Hem en aanbad Hem die van aanvang was en voor eeuwig zijn zal. Helemaal in het begin, voordat de wereld geschapen werd wist Hij al wat in eeuwigheid zijn zal en wat generatie op generatie volgen zal.
11 Zij die nooit slapen eren U, zij staan voor Uwe Heiligheid en eren, prijzen, verheerlijken U zeggende: ‘Heilig, heilig, heilig is de Heer der geesten. Hij vult de aarde met geesten.’
12 Daar zag ik alle geesten die nooit slapen. Zij stonden voor Hem en eerden Hem zeggende: ‘Alle eer aan U en gezegend is de Naam van God voor eeuwig en altijd.’ Daarop werd mij het zicht ontnomen, ik kon het niet langer bevatten.