Terug naar Bijbel index Terug naar Boek index

Henoch 45

De Tweee Parabel


1 De tweede gelijkenis gaat over degenen die de Naam van de verblijfplaats der heiligen en die van de Heer der geesten (de hemel) loochenen.
2 ‘Naar de hemel zullen zij niet opstijgen, ook zullen zij niet op aarde verblijven. Dit is het lot van de zondaars die de Naam van de Heer der geesten verloochend hebben. Daarom worden zij tot de dag van straf en lijden bewaard.
3 Op die dag zal mijn Uitgekozene op de troon van heerlijkheid zitten en hun werken en ontelbare rustplaatsen beproeven. Hun geesten zullen zich oprichten als zij mijn Uitgekozene zien, samen met degenen die mijn heilige en heerlijke Naam ter bescherming aangeroepen hebben.
4 Dan zal ik mijn Uitgekozene in hun midden doen wonen, de hemel veranderen en haar voor eeuwig verlichten en zegenen.
5 Ook de aarde zal ik tot een zegen veranderen. Dan zorg ik ervoor dat mijn uitverkorenen haar kunnen bewonen, maar de zondaars en misdadigers zullen geen voet op haar zetten.
6 Mijn rechtvaardigen zal ik met vrede verzadigen, ik zal hen voor mij plaatsen. Maar voor de zondaars komt veroordeling naderbij, zodat ik hen van het aardoppervlak vernietigen kan.’