1 Daar zag ik Hem die Altijd is. Zijn hoofd was wit als wol en naast Hem zat nog iemand die eruitzag als een man. Zijn gezicht was vol van genade, als een van de heilige engelen.
2 Ik vroeg de engel die bij mij was en mij de verborgenheden uitlegde:
3 ‘Wie is die Mensenzoon, waar komt Hij vandaan en waarom staat Hij naast Hem die Altijd is?’ Hij antwoordde en zei tegen mij: ‘Dit is de Mensenzoon die rechtvaardigheid draagt, Hij is bekleed met rechtvaardigheid. Alle schatten van wat verborgen is zal Hij openbaren. De Heer der geesten heeft Hem uitgekozen en Zijn erfdeel van de Heer der geesten overtreft iedereen in eeuwige oprechtheid.
4 Deze Mensenzoon zal de koningen en machtigen van hun plaats en troon stoten. Hij zal het juk van machtigen verbreken en de zondaars de tanden uit de mond slaan.
5 Koningen zal Hij samen met hun koninkrijk neerwerpen, omdat zij Hem niet eren en verheerlijken. Zij erkennen ook niet nederig Degene die hen hun koninklijke macht heeft toevertrouwd.
6 Het hoofd van de sterken zal zich vol schaamte buigen. Dan zal duisternis hun verblijfplaats zijn en zal hun bed vol wormen zijn. Alle hoop om uit hun bed op te staan is vervlogen, omdat zij de Naam van de Heer der geesten niet verheerlijkt hebben.
7 Zij hebben de sterren van de hemel veroordeeld en hun hand tegen de Allerhoogste opgeheven. Zij hebben de aarde met voeten getreden, haar bewoond en zichtbaar onrechtvaardig gehandeld. Zij hebben op hun rijkdom vertrouwd en op goden die zij eigenhandig gemaakt hebben.
8 Zij ontkennen de Naam van de Heer der geesten en zij verdrijven Hem uit de tempels waarin zij samenkomen, alsook de rechtvaardigen die in Naam van de Heer der geesten lijden.’