1 Hierna kreeg Hij Die Altijd is berouw en zei: ‘Iedereen die op aarde woont heb ik voor niets vernietigd.’
2 Daarop zwoer Hij bij Zijn grote Naam: ‘Vanaf nu zal ik zo niet langer handelen met degenen die op aarde leven. Ik stel een teken hoog aan de hemel, het zal getuigen van de vertrouwensband die ik voor eeuwig met hen sluit, zo lang als de atmosfeer boven de aarde staat.
3 Dan zal wat ik geboden en mij eerder voorgenomen heb door middel van de engelen worden uitgevoerd. Op die dag zal de straf worden uitgevoerd, zullen zij worden weggevoerd en zal mijn woede en bestraffing op hen rusten,’ zegt de Heer der geesten.
4 ‘U machtigen en koningen die op aarde wonen, u zult mijn Uitgekozene zien, zittend op Zijn majestueuze troon. Hij zal Azazel oordelen, al zijn metgezellen en hele leger uit Naam van de Heer der geesten.’