1 Ik zag dat engelenlegers zich op de strafplaats bevonden, vastgehouden door een netwerk van ijzer en brons.
2 Ik vroeg de engel van vrede die bij mij was: ‘Waarheen gaan zij die aan de kettingen vastzitten?’
3 Hij zei tegen mij: ‘Naar degenen die zij liefhebben en uitgekozen hebben, daar komen zij bij de bronnen en diepten van de afgrond.
4 De afgrond zal gevuld worden met degenen die zij uitgekozen en liefgehad hebben. Zo zal hun leven een einde vinden en zullen de dagen van hun dwaling ontelbaar zijn.
5 In die dagen zullen de engelen terugkeren en samenspannen. Zij mengen zichzelf tussen de Meden en Perzen. Hun koningen zullen zij opjutten zodat een onrustige geest hen zal voortdrijven. Zij zullen van hun troon opstaan en als leeuwen komend uit hun schuilplaats voortjagen, als hongerige wolven tussen de kudde.
6 Dan zullen zij opkomen en het land van de uitgekozenen onder de voet lopen. Het land van de uitgekozenen als een dorsvloer en snelweg zal voor hen liggen.
7 De stad van de rechtvaardigen zal echter een blokkade voor hun paarden vormen. Dan zullen zij beginnen met elkaar te bevechten, zij maken een vuist tegen elkaar. Vader, moeder, zoon, broer of vriend, niemand zal elkaar ontzien, het aantal omgekomenen zal ontelbaar zijn.
8 Dit alles zal niet voor niets plaatsvinden. In die dagen zullen de poorten van de hel worden geopend, hierin zullen zij geworpen worden. De hel zal de zondaars opslokken en ten aanschouwen van de uitgekozenen vernietigen.