1 In de dagen dat de mensen zich vermenigvuldigden, waren de dochters die uit hen geboren werden mooi en elegant.
2 De engelen, de hemelse zonen, zagen hen en begeerden hen. Zij zeiden tegen elkaar: ‘Kom laten wij vrouwen kiezen uit de mensenkinderen en daarbij kinderen verwekken.’
3 Semjaza nu, hun leider, zei tegen hen: ‘Ik ben bang dat u met deze daad niet zult instemmen, dan zal ik alleen de straf moeten dragen van een grove zonde.’
4 Maar zij antwoordden hem en zeiden: ‘Laten wij een eed afleggen en zweren en ons binden aan een gemeenschappelijke vervloeking, om dit plan niet te laten varen maar uit te voeren.’
5 Zo spraken zij samen de vloek uit waaraan zij zich bonden door het gezamenlijk uitspreken van vervloekingen.
6 Het betrof tweehonderd (engelen). Zij daalden af naar de berg Hermon in de dagen van Jared. Zij gaven het de naam Hermon omdat zij daar gezworen hadden en zich gebonden hadden aan meerdere gezamenlijke vervloekingen.
7 Dit zijn de namen van hun leiders: Semjaza hun leider, Areklba, Rameël, Kokablel, Tamlel, Ramlel, Danel, Ezekweël, Barekwijal, 8 Azazel, Armaros, Baterel, Ananel, Zakwiël, Samzepeël, Saterel, Turel, Jomjael, Sariël. Dit zijn de leiders van de tweehonderd engelen en de rest sloot zich bij hen aan.