Terug naar Bijbel index Terug naar Boek index

Henoch 63


1 In die dagen zullen de koningen die de aarde overheersten een verzoek doen en, via de engelen van de strafvervolging aan wie zij uitgeleverd zijn, Hem dit bescheiden verzoek doen.
2 Dat zij in de gelegenheid worden gesteld om neer te buigen en de Heer der geesten te mogen aanbidden. Dat zij hun zonden aan Hem mogen belijden en de Heer der geesten mogen zegenen door te zeggen: ‘Gezegend is de Heer der geesten, de Heer van de koningen, de Heer van de machthebbers, de Heer van de rijken, de Heer van de heerlijkheid en de Heer van de wijsheid.
3 Alles wat verborgen is zal Hij openbaren. Uw macht is over alle generaties en Uw majesteit voor eeuwig en altijd. Uw geheimen zijn diep en ontelbaar en Uw rechtvaardigheid is onmetelijk.
4 Nu hebben wij geleerd dat wij de Heer der koningen en Hem die Koning der koningen is moeten eren en zegenen.’
5 Dan zullen zij zeggen: ‘Is het nog mogelijk dat wij rust zullen vinden om te eren, dank te brengen en ons geloof te belijden voor Zijne Heerlijkheid?
6 Nu zoeken wij maar een beetje rust, maar vinden het niet. Wij doen hard ons best, maar krijgen niets. Wij zien geen licht meer en duisternis is onze eeuwige woonplaats.
7 Want wij hebben niet in Hem geloofd, en ook de Naam van de Heer der koningen hebben wij niet verheerlijkt, om al Zijn werken hebben wij de Heer niet verheerlijkt. Maar wij hebben op ons eigen koninkrijk vertrouwd en op onze eigen luister.
8 Dus zal Hij, op de dag van onze pijn en moeite, ons niet redden en zullen wij geen rust vinden. Nu belijden wij dat de Heer waarachtig is in al Zijn werken, in Zijn oordelen en Zijn rechtschapenheid.
9 Bij het vellen van Zijn oordeel is Hij zonder aanzien des persoons, dus moeten wij op basis van wat wij gedaan hebben uit Zijn gezichtsveld verdwijnen. Onze zonden zijn werkelijk niet te tellen.’
10 Dan zullen zij bij zichzelf zeggen: ‘Onze zielen zitten vol met misdadige gewoonten, dus dat helpt ons niet en voorkomt niet dat wij in de vlammende schoot van de hel afdalen.’
11 Hierna zullen hun gezichten vol van duisternis en schaamte tegenover de Mensenzoon zijn. Zij zullen uit Zijn aanwezigheid verwijderd worden en het zwaard zal tussen hen en Hem in staan.
12 Dit zegt de Heer der geesten: ‘Dit is het bevel en het oordeel over de machthebbers, koningen, hooggeplaatsten en degenen die zich de wereld in aanwezigheid van de Heer der geesten toe-eigenen.’