1 Hierna werd mijn geest opgeborgen en in de hemelen opgenomen. Daar zag ik de heilige engelen (zonen) van God. Zij liepen over vlammend vuur, hun kleding was wit en hun gezicht was helder als kristal.
2 Ik zag twee rivieren gevuld met vuur die er als hyacint uitzagen. Hier viel ik voorover op mijn gezicht voor de Heer der geesten.
3 Een van de aartsengelen Michaël nam mij bij mijn rechterhand, deed mij opstaan, en leidde mij naar de plaats van alle geheimen over genade en rechtvaardigheid.
4 Hij toonde mij alle geheimen van de uiteinden van de hemel, alle plaatsen van de sterren en hun stralingskracht wanneer zij ten aanschouwen van de heiligen vertrekken.
5 Daar werd mijn geest bewaard in de hemel der hemelen. Ik zag dat daar een gebouw opgericht werd uit (ijs)kristallen. In de voegen tussen de stenen waren vuurvlammen te zien.
6 In de geest zag ik een omtuining van vuur geheel rondom het huis. Aan haar vier kanten waren hevige vuurstromen die het huis omheinden.
7 Rondom (het huis) stonden Seraphim, Cherubim en Ophanim. Zij die nooit slapen en de troon van Zijn heerlijkheid beschermen.
8 Ik zag ontelbare engelen, duizenden maal duizenden en tienduizenden maal tienduizenden die het huis omringden.
9 Michaël, Rafaël, Gabriël, Fanuël en de heilige engelen uit de hoge hemel gingen het huis in en uit.
10 Hij die Altijd is was bij hen, Zijn hoofd zag wit als zuivere wol. Zijn kleding was onbeschrijfelijk.
11 Toen viel ik voorover op mijn gezicht en mijn hele lichaam ontspande zich, mijn geest veranderde. Met een luide stem en een krachtige geest riep ik zegeningen, verheerlijkingen en lofprijzingen uit naar Hem.
12 Deze eerbewijzen die ik uitsprak werden door Hem die Altijd is gewaardeerd. Hij die Altijd is kwam dus samen met Michaël, Gabriël, Rafaël, Fanuël en duizenden maal duizenden, ontelbaar maal ontelbaar veel engelen.
13 (Hierna volgt een verloren passage over de Mensenzoon die beschreven wordt naast Hij die Altijd is. Henoch vraagt hier een van de engelen wie de Mensenzoon is).
14 Toen kwam een engel naar mij toe die mij luid begroette en sprak: ‘Dit is de Mensenzoon de geboren Rechtvaardige. Rechtvaardigheid is altijd Zijn deel en de rechtvaardigheid van Hem die Altijd is verlaat Hem niet.’
15 Hij vervolgde: ‘Uit naam van de komende wereld wenst Hij u vrede. Sinds de schepping van de wereld komt vrede van daaruit op. Zo zal het voor eeuwig en altijd voor u zijn.
16 Iedereen zal in Zijn voetsporen wandelen, want rechtvaardigheid wijkt niet van Zijn zijde. Bij Hem zullen zij wonen en hun erfdeel is met Hem. Nooit in eeuwigheid zullen zij van Hem gescheiden zijn. Bij de Mensenzoon is dus lengte van dagen. De rechtvaardigen zullen voor altijd vrede en een oprechte wandel kennen in de Naam van de Heer der geesten.’