1 In die dagen antwoordde Uriël mij en zei: ‘Zie, ik heb u alles laten zien Henoch. Alles wat ik u moest laten zien over de zon, maan, hoofdsterren en hen die hen volgen, hun seizoenen en de tijden waarop ze verschijnen, heb ik u getoond.
2 In de dagen van de zondaars zullen de jaren worden ingekort. De vruchtbaarheid van de grond van hun nageslacht zal afnemen en alles wat op aarde gedaan wordt zal ondermijnd worden en hetzelfde seizoen nog vergaan. De regen zal beperkt worden en de hemel zal haar tegenhouden.
3 De vruchten van de aarde zullen in kracht afnemen en niet groeien op de bestemde tijden. Ook de bomen zullen dan geen vrucht dragen op hun tijd.
4 De loop van de maan zal veranderen en niet op tijd verschijnen.
5 In die dagen zal de zon gezien worden en in de avond met haar strijdwagen door de west(poort) gaan. Zij zal helderder stralen dan wat overeenstemt met haar (huidige) licht.
6 Veel hoofdsterren zullen de hun toegewezen volgorde wijzigen. Hun omloop en opdracht zullen zij veranderen.
7 De gehele omloop van de sterren zal voor de zondaars onzichtbaar zijn. De gedachten van degenen die op aarde wonen zullen zich hierover sterk vergissen. Al hun wegen zullen zij veranderen, ja zij zullen zwaar overtreden en denken dat zij goden zijn.
8 Het kwaad zal zich te midden van hen vermenigvuldigen, daarom komt de straf over hen, om hen allemaal te vernietigen.’