1 In die tijd keken Michaël, Gabriël, Rafaël, Suriël en Uriël vanuit de hemel naar beneden en zagen dat er veel bloed op aarde vergoten werd en alle wetteloosheid die op haar bedreven werd.
2 Zij zeiden tegen elkaar: ‘De aarde die haar bewoners verliest roept het uit tot aan de hemelpoorten.’
3 En tegen u, heiligen in de hemel, zeg ik: ‘De mensenzielen klagen en zeggen: ‘Breng onze zaak voor bij de Allerhoogste.’
4 Toen gingen zij naar hun Heer en Koning en zeiden: ‘Heer der heren, God der goden, Koning der koningen en God van alle tijden, Uw troon staat vast over de generaties van alle tijden, Uw Naam is heilig en roemrijk tot in alle eeuwigheid.
5 U heeft alles gemaakt, over alles heeft U de macht. Alles is open en ontbloot voor Uw ogen. U ziet alles, niets en niemand kan zich voor U verbergen. U ziet wat Azazel gedaan heeft. Hij heeft alle ongerechtigheid op aarde geleerd en de geheimen die in de hemel bewaard werden geopenbaard. De mensen wilden ze ook graag leren.
6 Semjaza, aan wie U het gezag heeft gegeven over wie met hem zijn meegegaan heeft hen toverij geleerd. Zij allemaal zijn naar de mensendochters gegaan en hebben gemeenschap met hen gehad, zo hebben zij zich verontreinigd.
7 Zij hebben hen de misdaad geleerd,
8 en de vrouwen hebben reuzen voortgebracht.
9 Hierna is de aarde vervuild geraakt door bloedvergieten en onrecht.
10 Zie, nu schreeuwen de zielen van hen die omgebracht zijn het uit. Hun klachten hebben de hemelpoorten bereikt. Zij kunnen er niet mee stoppen omdat het wetteloze gedrag op aarde maar door gaat.
11 U weet alles al voordat het plaatsvindt. U ziet alles en lijdt eronder en toch zegt U ons niet wat wij met hen moeten doen.’