1 Ik keek totdat zevenendertig herders de schapen op eenzelfde manier geweid hadden. Hoofd voor hoofd voltooiden zij hun periode net als de eersten. Hierna namen weer anderen het van hen over om een periode voor de schapen te zorgen, iedere herder kreeg zijn eigen tijd.
2 Daaropvolgend zag ik vogels uit de hemel komen, arenden, gieren, valken en raven. De arend gaf instructies aan al deze vogels en zij begonnen de schapen te verslinden. Zij staken hen de ogen uit en aten hun vlees op.
3 De schapen schreeuwden het uit omdat hun lichamen door de vogels verslonden werden. Tijdens mijn slaap treurde ik hevig en was verontwaardigd tegenover de herder die de schapen moest leiden.
4 Ik zag hoe de schapen door de honden, arenden en valken opgegeten werden. Zij lieten geen huid of spier over zodat alleen nog hun beenderen overbleven en op de grond vielen. Er bleven nog maar weinig schapen over.
5 Tot op dat moment hadden drieëntwintig herders de verantwoordelijkheid gekregen, zij voltooiden bij elkaar opgeteld achtenvijftig perioden wat de tijdspanne was die zij tot dan toe gekregen hadden.
6 Lammetjes werden uit de witte schapen geboren en begonnen hun ogen te openen, zij riepen het uit naar de schapen.
7 De schapen zeiden echter niets tegen hen en luisterden niet naar wat ze tegen hen vertelden. Zij waren Oost-Indisch doof, blind en buitengewoon halsstarrig.
8 In het visioen zag ik hoe de raven op de lammetjes af vlogen en een van hen meenamen, zij lieten hen in stukken vallen en verslonden hen.
9 Toen zag ik dat op de lammetjes horens groeiden, de raven vielen hun horens aan.45 Ook zag ik dat een grote hoorn groeide op een van de dieren die zich tussen de schapen in bevond en dat hen de ogen geopend werden.
10 Zij werden ziende, hun ogen gingen wijd open en hij riep hen toe. De schapen die de dabela (ram met een grote hoorn) zagen renden er allemaal naar toe.
11 Ondanks deze ontwikkeling gingen de arenden, gieren, raven en valken gewoon door met het op hen af vliegen en het verslinden van de schapen.
12 De schapen waren stil, maar de dabela rouwde en riep het uit. Daarop gingen de raven de strijd en het gevecht met hem aan en probeerden zijn hoorn te breken, maar het lukte hen niet.
13 Ik keek totdat de herders kwamen, en de arenden en gieren riepen luid naar de raven om de hoorn van de dabela te breken, met hem te vechten en hem te doden. Maar hij vocht met hen en riep het uit naar Iemand om hem te komen helpen.
14 Toen zag ik de man komen die de namen van de herders opschreef en die naar de Heer van de schapen was opgestegen. Hij bracht steun en toonde iedereen hoe Hij te hulp naar de dabela afdaalde.
15 Ik keek tot ik de Heer van de schapen in grote woede naar hen zag afdalen, iedereen die Hem zag vluchtte weg en iedereen viel vanwege Zijn aanblik in de duisternis.
16 Alle arenden, gieren, raven en valken verzamelden zich, zij brachten alle schapen uit het veld mee. Zo, eensgezind verzameld, streden zij ervoor om gezamenlijk de hoorn van de dabela te breken.
17 Toen zag ik de man komen die het boek in opdracht van de Heer had geschreven, Hij opende het boek met de vernietiging die de twaalf laatste herders bewerkstelligd hadden. Hij liet de Heer van de schapen zien dat zij veel meer vernietigd hadden dan zij die hen voor waren gegaan.
18 Ik zag de Heer van de schapen naar hen toe komen en hoe Hij de scepter van Zijn toorn in Zijn hand nam en daarmee de aarde spleet. Alle dieren en vogels aan de hemel vielen van de schapen af en zonken weg in de aarde, die zich achter hen sloot.
19 Ik zag ook dat een groot zwaard aan de schapen werd gegeven, zij trokken op tegen alle dieren in het veld om hen te doden. Alle dieren en vogels aan de hemel vluchtten voor hun verschijning weg.
20 Ik bleef kijken totdat een troon in een prachtig land werd opgericht, de Heer van de schapen ging er zelf op zitten. De ander(e man) nam alle verzegelde boeken en opende ze voor de Heer van de schapen.
21 Toen riep de Heer de eerste zeven witte personen. Hij gebood hem om de eerste ster, die als eerste gevallen was, samen met de sterren met geslachtsdelen als paarden die hij de weg gewezen had, bij Hem te brengen. Zij werden allemaal voor Hem gebracht.
22 Hij sprak tot de man die alles voor Hem opgeschreven had, die één van de zeven was, en sprak tot Hem: ‘Haal de zeventig herders aan wie ik de schapen heb toevertrouwd en die op eigen initiatief meer schapen gedood hebben dan hen was opgedragen.’
23 Toen zag ik ze geketend voor Hem staan.
24 Eerst werd het oordeel over de sterren uitgesproken, zij werden geoordeeld, schuldig bevonden en in de brandende afgrond geworpen. Het was een diepe afgrond vol laaiende vlammen en vuurzuilen.
25 Ook de zeventig herders werden geoordeeld, schuldig bevonden en in de vurige afgrond geworpen.
26 Op hetzelfde moment werd een vergelijkbare afgrond in het midden van de aarde geopend. Ze brachten de schapen die blind geworden waren, ook zij werden geoordeeld en schuldig bevonden, in deze vurige afgrond geworpen en verbrandden daar.
27 Deze afgrond bevond zich aan de rechterkant van het huis. Ik zag hoe de schapen verbrandden, samen met hun botten.
28 Ik stond ernaar te kijken totdat zij begonnen met het afbreken van het oude huis. Ze brachten de pilaren, balken en ivoren ornamenten die erin gebruikt waren naar buiten en transporteerden deze naar een plaats aan de rechterkant van de aarde.
29 Ik zag dat de Heer van de schapen een nieuw huis bouwde, groter en mooier dan het eerste. Hij maakte het precies op de cirkelvormige plaats waar het vorige was afgebroken. Al haar pilaren waren nieuw, ook haar ivoren ornamenten waren indrukwekkender dan de oude die weggenomen waren.
30 De schapen die nog overgebleven waren stonden erbinnen en alle dieren van de aarde en vogels uit de hemel bogen zich ter aarde en eerden hen, deden verzoeken aan de schapen en gehoorzaamden hen in alles.
31 Toen deden de drie, die in het wit gekleed waren en mij eerder aan de hand mee naar boven genomen hadden, mij opstaan. Degene die met mij sprak hield mijn hand vast.
32 Zij plaatsten mij tussen de schapen vlak voordat het oordeel plaats zou gaan vinden.
33 Al de schapen waren wit, hun wol was lang en zuiver. Daarop vergaderden alle dieren uit het veld, samen met de vogels uit de hemel die vernietigd waren geweest en verloren waren gegaan, zich in het huis. De Heer van de schapen verheugde zich met een onuitsprekelijke vreugde omdat ze allemaal goed geworden waren en naar Zijn huis waren teruggekeerd.
34 Toen werd het zwaard dat aan de schapen was gegeven weggelegd en zij legden het in het huis terug, daar werd het in de aanwezigheid van de Heer verzegeld.
35 Alle schapen werden uitgenodigd om in het huis te verblijven, als het al mogelijk was dat het iedereen zou kunnen herbergen. Iedereen keek met wijdgeopende ogen naar de Goede, niemand was meer in staat om Hem niet te aanschouwen.
36 Ik zag dat het huis groot en breed was en stampvol.
37 Ik zag dat een Witte Stier geboren werd met grote horens. Alle dieren uit het veld en vogels uit de hemel vreesden Hem en richtten continue verzoeken tot Hem.
38 Ik zag dat hun aard veranderde en dat zij allemaal witte stieren werden. De Eerste Die te midden van hen stond was het Woord,46 en dit Woord was een groot dier met grote zwarte horens op Zijn hoofd.
39 De Heer van de schapen verheugde zich over Hem en over alle stieren en ik lag daar te midden van hen.
40 Dit is het visioen dat ik zag terwijl ik sliep. Ik werd wakker en zegende de rechtvaardige Heer en gaf Hem de eer.
41 Daarna huilde ik hevig, net zolang tot ik het niet langer kon verdragen. Toen ik alles overzag besefte ik dat mijn tranen om wat ik gezien had stroomden. Alles zal zich voltrekken en vervuld worden.
42 Alles wat de mensheid doet heb ik op volgorde gezien. Die nacht herinnerde ik mij wat ik eerder gedroomd had, ik huilde en was zeer verontrust omdat ik dat visioen gezien had.