Terug naar Bijbel index Terug naar Boek index

Henoch 99


1 ‘Wee u die goddeloos handelt. U die leugens promoot en verheerlijkt. U zal vergaan en geen gelukkig leven kennen.
2 Wee hen die oprechte woorden verdraaien en de eeuwige wet overtreden. Die zichzelf veranderen in wat zij (van oorsprong) niet waren, in zondaars. Zij zullen op aarde met voeten getreden worden.
3 Bereid uzelf toe rechtvaardigen in die dagen. Richt uw gebeden als een gedenkteken op en spreek ze als een getuigenis naar de engelen toe. Dan zullen zij de zonden van de zondaars als een gedenkteken voor de Allerhoogste oprichten.
4 In die dagen zullen de naties opgehitst worden. De volken en stammen zullen opstaan op de dag van vernietiging.48
5 In die dagen zullen de zwangeren op de vlucht slaan en hun kinderen dragen. Zij zullen ze achterlaten zodat hun kinderen door hun eigen schuld omkomen. Zelfs zogende baby’s zullen ze achterlaten en niet naar hen terugkeren, zij zullen er geen spijt van hebben.
6 Opnieuw verklaar ik onder ede zondaars, zonde loopt uit op de dag van onbeperkt bloedvergieten.
7 Zij die stenen aanbidden, gesneden beelden van goud, zilver, hout en klei, die onreine geesten en demonen aanbidden en allerlei afgoden in tempels, zij zullen geen enkele hulp van hen ondervinden.
8 Hun hart zal ontheiligd zijn vanwege hun dwaasheid en hun ogen verblind vanwege hun bijgeloof. Ook hun dromen zullen onheilig en bijgelovig zijn.
9 Over alles zullen zij liegen en een steen zullen zij aanbidden. Samen zullen zij in een oogwenk vergaan.
10 Gezegend zij die in die dagen het woord van wijsheid ontvangen en begrijpen. Die het pad van de Allerhoogste uitstippelen en erover wandelen. Zij die niet goddeloos worden zoals de boosdoeners, want zij zullen gered worden.
11 Wee u die het kwaad op uw naasten overdraagt, in de hel zult u gedood worden.
12 Wee u die met twee maten meet en verbitterd op aarde leeft, u zult erdoor verteerd worden.
13 Wee u die over de ruggen van de zware arbeid van anderen huizen bouwt, want elke baksteen en kei is door zonde verkregen. U zult geen vrede kennen.
14 Wee u die de grootse omvang van de eeuwige erfenis van uw voorvaders veracht, terwijl uw ziel zich aan afgoden hecht. U zult geen rust kennen.
15 Wee u die onrecht in de hand werkt en onderdrukking ondersteund. Zij die hun naaste doden tot op de dag van het grote oordeel.
16 Hij zal u van uw troon stoten, u hartzeer bezorgen en Zijn diepe verontwaardiging tonen. Hij zal u allen doden met het zwaard. Zo zullen alle heiligen en rechtvaardigen zich uw zonden herinneren.’