7 Want van velen, die onreine geesten hadden, gingen deze onder luid geroep uit en vele verlamden en kreupelen werden genezen;
169 akathartos = smerig, onrein, onzuiver persoon, onreine dingen
akáthartos (een bijvoeglijk naamwoord, afgeleid van 1 /A “niet” en 2513 /katharós, “rein, gezuiverd”) – eigenlijk niet puur (omdat het gemengd is), d.w.z. vermengd met “een verkeerde mix” en dus “onrein” (omdat het door zonde is aangetast).
[Het antoniem, 2508 /kathaírō (“rein”), betekent “vrij van verkeerde vermenging” (onvermengd, niet vermengd).]