De meeste bomen die hun bladeren of naalden pas na twee, drie of zelfs meer jaren vervangen, vallen onder de groenblijvende planten (coniferen en enkele loofbomen). Hoewel we ze “groenblijvend” noemen, verliest elke boom uiteindelijk zijn blad. Bij deze soorten gebeurt dat alleen niet elk jaar tegelijkertijd, maar in een cyclus van meerdere jaren.
Coniferen (Naaldbomen)
De meeste naaldbomen behouden hun naalden gemiddeld twee tot vier jaar.
Gewone den (Pinus sylvestris): Verliest naalden meestal na 2 tot 3 jaar. Fijnspar (Picea abies): Houdt naalden vaak 5 tot 7 jaar vast. Zilverspar (Abies): Naalden blijven vaak 7 tot 10 jaar zitten. Taxus (Venijnboom): Vervangt naalden gemiddeld om de 2 tot 4 jaar.
Groenblijvende loofbomen
Er zijn ook loofbomen die hun blad langer dan één seizoen vasthouden, vaak afhankelijk van de strengheid van de winters.
Hulst (Ilex aquifolium): Een blad blijft gemiddeld 2 tot 3 jaar aan de tak zitten. Steeneik (Quercus ilex): Verliest zijn blad meestal na 2 jaar. Laurierkers (Prunus laurocerasus): Vernieuwt het blad vaak na 2 jaar.
Waarom gebeurt dit?
Energiebesparing: Het maken van nieuwe bladeren kost veel energie. Bescherming: Deze bladeren hebben vaak een dikke waslaag (cuticula). Overleving: Ze kunnen in het vroege voorjaar direct beginnen met fotosynthese.