Henoch 10
1 Daarop sprak de Allerhoogste, de Heilige en Ene Grote sprak en stuurde Uriël naar de zoon van Lamech, deze zei tegen hem: ‘Ga naar Noach en zeg hem namens mij: ‘Verberg jezelf!’
2 Leg hem uit dat het einde nadert, want heel de aarde zal vergaan, het water van een vloed zal heel de aarde overstromen en alles wat zich op haar bevindt zal worden vernietigd.
3 Leer hem hoe hij kan ontsnappen, zodat zijn nageslacht op aarde bewaard zal worden voor de generaties die nog in de wereld zullen komen.’
4 Hierna zei de Heer tegen Rafaël: ‘Bind Azazel aan handen en voeten en werp hem in de duisternis. Maak daarvoor een opening in de woestijn ter plaatse van Dudael en gooi hem daarin.
5 Bedek hem met ruwe scherpe stenen totdat hij geheel in het duister gehuld is. Laat hem daar eeuwig verblijven en bedek zijn gezicht zodat hij geen licht meer kan zien.
6 Op de dag van het grote oordeel zal hij in het vuur geworpen worden.
7 Genees hierna de aarde die door de engelen is verontreinigd, roep genezing over haar uit, zodat zij van de plaag herstelt en niet alle mensen sterven vanwege de geheimen die de wachters aan hen en hun zonen geopenbaard hebben.
9 De hele wereld is verontreinigd door de woorden die Azazel gesproken heeft, reken hem dus al deze misdaden toe.’
10 Hierna zei de Heer tegen Gabriël: ‘Ga naar de bastaards en verfoeilijken, de kinderen die geboren zijn uit overspel. Vernietig deze uit overspel geboren kinderen, het nageslacht van de wachters en roei hen uit tussen de mensheid. Zet hen tegen elkaar op zodat zij elkaar op het slagveld doden, want lengte van dagen zullen zij niet kennen. Zij zullen het u wel vragen, maar hun vaders, die hopen op eeuwig leven (voor hun kinderen), krijgen zelfs de vijfhonderd jaar niet die zij verlangen.’
11 Ook aan Michaël gaf de Heer een opdracht: ‘Ga, bind Semjaza en zijn metgezellen die zich verbonden hebben met vrouwen waardoor zij zich met hen verontreinigd hebben en onrein geworden zijn.
12 Als hun zonen elkaar hebben afgeslacht en zij de vernietiging van hun geliefden hebben gadegeslagen, bind hen dan vast in het binnenste van de aarde gedurende zeventig generaties. Dan komt de dag van hun oordeel en hun vernietiging, dan is er het oordeel dat altijd en eeuwig zal verteren.
13 In die dagen zullen zij in de vurige afgrond geworpen worden, in de kwellingen van de gevangenis waar ze voor eeuwig verteerd zullen worden.
14 Iedereen die veroordeeld en vernietigd zal worden, zal vanaf dat moment samen met hen gebonden zijn tot aan het einde van alle generaties.
15 Vernietig alle zielen die verslaafd zijn aan hun lusten en de kinderen van de wachters, want zij hebben de mensheid overheerst.
16 Vernietig iedereen die een ander verdrukt op aarde en laat alles wat slecht uitwerkt worden vernietigd. Plant rechtvaardigheid en waarheid, het zal zegen voortbrengen. Dan zullen de rechtvaardige en waarachtige daden voor eeuwig vreugde brengen.
17 Dan zullen alle heiligen dankbaar zijn en leven totdat zij duizenden kinderen krijgen. Al de dagen van hun jeugd tot en met hun ouderdom zullen zij vrede kennen.
18 In die dagen zal de aarde rechtvaardig bewerkt worden. Zij zal volledig beplant zijn met bomen en volop zegen geven.
19 Alle bomen die gewild zijn zullen erop geplant worden. Zij zullen wijngaarden planten en de wijnstronk die zij planten zal overvloedig vrucht dragen. Al het zaad dat op haar gezaaid wordt zal duizendvoudig vrucht dragen en elke maat olijven zal een tienvoudige persing voortbrengen.
20 Reinig de aarde van alle verdrukking, alle onrecht, alle misdaad, alle goddeloosheid en van alle onreinheid die op haar bedreven wordt. Roei dit over de hele aarde uit.
21 Dan zullen alle mensenkinderen rechtvaardig worden. Alle naties zullen mij verheerlijken, zegenen en prijzen. De aarde zal gezuiverd worden van alle verontreiniging, alle misdaad, alle strafvervolging en alle lijden. Van generatie op generatie zal ik geen zondvloed meer over haar uitstorten, in eeuwigheid niet.’
