Henoch 103
1 Daarom zeg ik onder ede, rechtvaardigen, op grond van Zijn majesteit, macht, Zijn heersend koninkrijk en grootsheid.
2 Ik zeg met klem: ‘Ik ken een geheim en heb dit gelezen in de hemelse schrijftabletten. Ik heb de heilige boeken gezien en gelezen wat daarin is opgeschreven.
3 Alle goedheid, vreugde en heerlijkheid is voor hen klaargemaakt. Het is opgeschreven voor hen die rechtvaardig sterven. Overvloedig veel goeds zal aan u worden gegeven als loon voor uw werken. Uw deel is ver boven het deel van al wat leeft.
4 De geesten van hen die rechtvaardig gestorven zijn zullen zich verheugen en leven. Hun geesten zullen niet vergaan, noch hun herinnering ten aanschouwen van de Grote en Ene, generatie op generatie lang. Zij hoeven niet langer voor smaad te vrezen.
5 Wee u zondaars, wanneer u gestorven bent in uw rijkdom aan zonden. Degenen die net als u zijn zeggen over u:
6 ‘Gezegend zijn de zondaars, zij hebben alles uit hun leven gehaald en nu sterven ze rijk en gelukkig. Vervolging of moord hebben zij in hun leven niet gekend. Zij zijn eervol gestorven, geen oordeel heeft hen tijdens hun leven getroffen.’
7 Weet dat hun zielen klaargemaakt worden om in het dodenrijk af te dalen. Hun slechte daden zullen hen achtervolgen als de grootste kwelling.
8 Donkerheid, gebondenheid en vurige vlammen zullen hun geest omringen tot aan het grote eeuwige oordeel over alle generaties van de wereld.
9 Wee u, want u zult geen vrede kennen. Dan kunt u ook niet tegen de goeden en rechtvaardigen die dan leven zeggen: ‘In onze zware dagen hebben wij met veel moeite gewerkt en veel tegenslag ondervonden. We hebben met veel slechts te kampen gehad en hebben geleden. Onze geesten zijn opgebrand, leeg en nietig geworden.
10 Zo zijn we te gronde gericht en er was niemand die ons hielp, zelfs niet met een woord. We zijn gefolterd en vernietigd, geen dag hebben wij gehoopt om het leven te zien.
11 Wij hoopten dat wij het hoofd zouden zijn, maar we zijn de staart geworden. Ons werken is voor niets geweest en onze inzet onbevredigend. Wij zijn tot voedsel geworden voor de onrechtvaardigen en zondaars, hun juk heeft ons zwaar gedrukt.
12 Zij hebben ons overheerst, ons gehaat en geslagen. Wij hebben ons gebogen voor wie ons haten maar zonder enig berouw van hun kant.
13 Wij verlangden er hevig naar om van hen weg te vluchten en rust te vinden, maar er was nergens een plaats om aan hen te ontkomen en veilig te zijn uit hun handen.
14 Bij de regering hebben wij geklaagd over hun vervolging en wij hebben het uitgeschreeuwd tegen hen die ons wilden verslinden. Zij gaven echter geen gehoor aan ons geroep en luisterden niet naar wat wij zeiden.
15 Zij hebben hen die ons verslonden, beroofden en marginaliseerden geholpen. Zij sloten hun ogen voor hun onderdrukking en verlosten ons niet van het juk van hen die ons verslonden. Zij verachtten ons en vermoordden ons en deden het in de doofpot, zonder in herinnering te houden dat zij hun hand tegen ons hadden uitgestrekt.’
