Henoch 22
1 Van daaruit werd ik naar een volgende plaats gebracht. In het westen rees een hoge en verheven berg, een machtige rots op, samen met vier prachtige gebieden.
2 Van binnen waren ze diep, breed en vlak, zo vlak alsof het gladgestreken was, de diepte was te donker om de bodem te zien.
3 Toen sprak Rafaël, een van de engelen die bij mij was het volgende: ‘Dit zijn de vreedzame plaatsen waar de geesten, de zielen van de doden, verzameld zullen worden. Voor hen zijn ze geschapen, hier zullen alle zielen van de mensenzonen verzameld worden.
4 In deze gebieden zullen zij verblijven tot op de dag van hun oordeel en tot de tijd die voor hen bepaald is.
5 Hun verblijfstijd zal lang zijn tot op de dag van het grote oordeel. Daar zag ik de geest van een mens die gestorven was terwijl hij naar de hemel toe zijn beklag deed.
6 Daarop vroeg ik Rafaël, de engel die bij mij stond, en zei: ‘Deze geest die beklag doet, wiens geest is dit, wiens stem richt deze klachten aan de hemel?’
7 Hij antwoordde mij en sprak: ‘Dit is de geest van Abel die door zijn broer vermoord is. Hij doet beklag over hem totdat zijn zaad over heel de aarde vernietigd wordt en zijn zaad tussen de mensheid uitgeroeid wordt.’
8 Daarna vroeg ik door over hem en over de diepe gebieden, ik zei: ‘Waarom is de een van de ander gescheiden?’
9 Hij antwoordde: ‘Er zijn drie plaatsen waar de geesten van de doden worden gesorteerd. Er is een plek afgescheiden voor de rechtvaardigen, hier is een heldere waterbron aanwezig.
10 Dan is er een plaats voor de zondaars die sterven en begraven worden zonder dat er tijdens hun leven een oordeel over hen is geveld.
11 Hier lijden de geesten in hevige pijn tot op de dag van het grote oordeel met straf en marteling voor hen die altijd vloeken, hun zielen zullen daar voor eeuwig gestraft en gebonden zijn.
12 Dan is er nog een afgescheiden plaats waar degenen die klagen gebracht worden. Zij die verhaal willen halen over hun vernietiging omdat ze door zondaars gedood zijn.
13 Deze plaats is gemaakt voor de menselijke geesten die niet rechtvaardig zijn geweest maar gezondigd hebben, die misdaden gepleegd hebben en samengewerkt hebben met de overtreders. Hun ziel zal op de dag van het oordeel niet vernietigd worden, maar zij zullen dan ook niet uit deze plaats verlost worden.’
14 Hierop zegende ik de Heer van de heerlijkheid en sprak: ‘Gezegend is mijn Heer, de Rechtvaardige Heer die voor eeuwig over iedereen heerst.’
