Henoch 89
1 Een van hen ging naar de witte stier toe en vertelde hem een geheim waardoor hij niet bang hoefde te zijn. Terwijl de stier hevig trilde kwam er een mens uit voort die een groot schip bouwde.
2 Samen met drie andere stieren woonde hij in de boot en werd erdoor beschermd. Opnieuw richtte ik mijn ogen naar de hemel en zag een prachtig dak met zeven waterstromen die er in grote hoeveelheden afstroomden naar een zekere plaats.
3 Hierop ontstonden fonteinen op die omvangrijke plaats en het water bleef daaruit opkomen en steeg naar de oppervlakte.
4 Ik bleef naar die plaats kijken totdat de gehele vlakte met water gevuld was. Het water, de duisternis en wolken bleven maar toenemen, en toen ik keek hoe hoog het water gekomen was, zag ik dat het water boven de rand van die plaats gestegen was en eroverheen stroomde. Hierna vulde het heel de aarde.
5 Alle vee verzamelde zich binnen die plaats totdat ik zag dat zij wegzonken, verdronken en onder water verdwenen.
6 Maar de boot dreef op het water terwijl alle koeien, olifanten en kamelen samen met de andere dieren naar de bodem wegzonken, ik kon ze niet langer waarnemen.
7 Niemand kon hieraan ontsnappen, iedereen verging en verdween in de diepte. Ik zag in het visioen hoe de waterstromen op het hoge dak werden afgestopt en dat de fonteinen op aarde in kracht afnamen terwijl andere afgronden werden geopend.
8 Hierop stroomde het water daarin weg totdat de aarde weer zichtbaar werd. De boot landde op de aarde, de duisternis verdween en het licht kwam terug.
9 De witte stier die mens geworden was kwam uit de boot, samen met de drie stieren. Een van de drie stieren zag er net zo wit uit als de eerste stier, een was rood als bloed en de andere was zwart. De witte stier scheidde zich van hen af.
10 Hierop begonnen wilde dieren en vogels nageslacht voort te brengen. Van hen groepeerden de verschillende soorten zich bij elkaar; leeuwen, tijgers, wolven, honden, hyena’s, wilde beren, vossen, eekhoorns, zwijnen, valken, gieren, wouwen, arenden en raven.
11 Te midden van hen werd een witte stier geboren. Zij begonnen elkaar te bijten, maar de witte stier die te midden van hen geboren was kreeg een wilde ezel samen met een witte stier. De wilde ezels vermenigvuldigden zich.
12 De stier die uit hem geboren was kreeg een zwarte wilde beer samen met een wit schaap.
13 De eerste bracht vele beren voort, maar het schaap kreeg twaalf schapen. Toen de twaalf schapen volgroeid waren, leverden ze een van hen over aan de ezels. De ezels leverden dat schaap vervolgens uit aan de wolven, het schaap groeide te midden van de wolven op.
14 Hierop bracht de Heer de elf terug bij dit schaap om samen met hem te leven en tussen de wolven geweid te worden. Zij vermenigvuldigden zich en werden een grote kudde schapen.
15 De wolven werden bang van hen en brachten hen in verdrukking terwijl zij hun baby’s doodden. Zij lieten hun baby’s achter aan waterstromen.
16 Hierop begonnen de schapen het uit te schreeuwen en riepen om bescherming naar de Heer omwille van hun jongen. Een van hen ontsnapte echter naar de wilde ezels. Ik zag hoe de schapen rouwden en huilden en met heel hun hart tot de Heer riepen, totdat de Heer van de schapen uit Zijn prachtige woonplaats afdaalde naar de schapen die het zo uitschreeuwden en hen begon te weiden. 17 Hij riep het schaap dat aan de wolven ontkomen was en sprak dat het de wolven moest vermanen om van de schapen af te blijven.
18 Het schaap ging naar de wolven toe, op grond van dit woord van de Heer, en onderweg kwam het nog een schaap tegen, waarna ze samen verder gingen. De twee gingen samen de woonplaats van de wolven binnen en vermaanden hen om vanaf dat moment de schapen niet langer te onderdrukken.
19 Toen zag ik dat de wolven met al hun macht de schapen hevig bleven onderdrukken, de schapen schreeuwden het uit.
20 De Heer kwam de schapen tegemoet en zij begonnen de wolven te slaan, toen begonnen de wolven te jammeren en werden de schapen vanaf dat moment rustig zonder het nog langer uit te roepen.
21 Ik keek naar de schapen totdat zij wegtrokken van de wolven. De wolven waren echter verblind en zetten met alle macht de achtervolging in.
22 De Heer ging als hun leider met hen mee, alle schapen volgden Hem na.
23 Zijn gezicht zag er oogverblindend, stralend en onmogelijk om naar te blijven kijken uit.
24 De wolven bleven de schapen echter achtervolgen totdat zij een zee bereikten. De zee splitste zich in tweeën en stond voor hen als twee muren van water. De Heer leidde hen en plaatste zich tussen hen en de wolven in.
25 Omdat de wolven de schapen niet konden zien, trokken ze verder tot midden in de zee, ze bleven de schapen achtervolgen en renden de zee in achter hen aan.
26 Toen ze de Heer zagen keerden zij zich om en vluchtten weg omdat zij Zijn gezicht gezien hadden, de zee echter stroomde weer terug naar haar oorspronkelijke plaats, het water kwam op en steeg, zodat het de wolven overspoelde.
27 Ik keek net zo lang totdat al de wolven die de schapen achtervolgd hadden verdwenen en verdronken waren.
28 De schapen echter ontsnapten aan het water en trokken de wildernis in die zonder water en gras was. Hun ogen begonnen zich te openen en zij gingen zien.
29 Ik zag dat de Heer van de schapen hen weidde en voorzag van water en gras en ook het schaap dat hen leidde.
30 Dat schaap klom naar de top van een hoge berg, waarna de Heer hem naar hen terugstuurde. Daarna zag ik de Heer voor hen staan met een geweldig ontzagwekkende en majestueuze uitstraling.
31 Alle schapen die Hem zagen waren bevreesd om wat zij aanschouwden. Ze beefden van schrik omwille van Hem en riepen tot het schaap dat tussen hen in stond:
32 ‘Wij kunnen niet voor onze Heer staande blijven of Hem aanschouwen.’ Het schaap dat hen leidde steeg weer op naar de top van de berg, maar de schapen werden verblind en dwaalden af van de weg die hij hen getoond had, zonder dat hij het wist.
33 De Heer van de schapen werd verschrikkelijk kwaad op hen en het schaap ontdekte dit. Hij daalde af van de top van de berg en ging naar de schapen toe, hij zag dat het grootste deel blind geworden en afgedwaald was.
34 Zodra ze hem zagen werden zij bevreesd en beefden in zijn aanwezigheid. Zij verlangden om weer terug te keren naar de kudde.
35 Het schaap nam andere schapen met zich mee en ging naar degenen toe die afvallig geworden waren. Hij begon ze te slaan en de schapen waren bang voor zijn verschijning, zo bracht dat schaap de schapen die afgedwaald waren terug en zij voegden zich weer bij hun kudden.
36 In het visioen zag ik dat het schaap een mens werd en een huis voor de Heer van de schapen bouwde, hij bracht alle schapen in dat huis.
37 Ik bleef kijken totdat het hoofdschaap dat de andere schapen bleef leiden stierf. Ook zag ik dat alle volwassen schapen stierven en lammetjes in hun plaats verschenen. Zij kwamen bij een weide aan en stonden voor een waterstroom.
38 Dat was het moment dat het schaap, dat een mens geworden was en de leider van de andere schapen, zich terugtrok en stierf. Alle schapen zochten hem en huilden met groot verdriet over zijn afwezigheid. 39 Ik bleef kijken totdat zij stopten met huilen over het schaap en de waterstroom overstaken. In plaats van hen die in slaap gevallen waren en die hen geleid hadden stonden twee leiders op.
40 Ik zag dat de schapen bij een prachtige plaats aankwamen, een mooi en overvloedig land, ik zag ook dat de schapen voldaan waren. Het huis stond te midden van hen in dat prachtige land.
41 Soms waren hun ogen open en soms waren ze verblind, totdat een ander schaap opstond en hen allemaal terugleidde, dan werden hun ogen geopend.
42 De honden, vossen en beren begonnen de schapen te verslinden, totdat de Heer van de schapen nog een schaap uit hun midden deed opstaan, een ram die hen leidde.
43 De ram begon naar alle kanten de honden, vossen en wilde beren weg te stoten totdat ze allemaal verdwenen waren.
44 De schapen, van wie de ogen open waren gegaan, keken naar de ram die zich tussen de schapen in bevond. Toen legde hij zijn majesteit af en begon de schapen weg te stoten, hij vertrapte hen en gedroeg zich onwaardig.
45 De Heer van de schapen stuurde een lam naar een ander lam en voedde dit op tot een ram en leider van de schapen in plaats van de ram die zijn waardigheid had verloren.
46 Door naar hem toe te gaan en met hem alleen te praten voedde Hij de ram op, Hij maakte hem tot prins en leider van de kudde.
47 Tijdens deze ontwikkeling onderdrukten de honden de schapen. De eerste ram achtervolgde de tweede ram, deze ram stond op en vluchtte van hem weg. Ik zag ook nog dat de honden de eerste ram ten val brachten.
48 De tweede ram stond op en leidde de kleine schapen. Deze schapen groeiden op en vermenigvuldigden zich. Alle honden, vossen en wilde beren waren bang voor hem en vluchtten van hem weg. De ram verstootte en doodde de wilde beesten, de wilde beesten hadden geen enkele macht meer over de schapen en roofden niemand meer uit hun midden.
49 De ram kreeg vele schapen en viel in slaap, een klein schaapje werd een ram in zijn plaats, hij werd de prins en leider van de schapen. 50 Het huis werd groot en uitgestrekt gebouwd voor de schapen. Bovenop het huis, wat laag was, werd een hoge toren gebouwd voor de Heer van de schapen. De toren was hoog en verheven, de Heer van de schapen stond bovenop de toren en zij zetten Hem een rijke tafel voor.
51 Opnieuw zag ik dat de schapen afdwaalden, vele kanten opgingen en hun huis verlieten. De Heer van de schapen riep sommige schapen uit de kudde die Hij naar hen toestuurde, maar de schapen begonnen hen te slaan.
52 Een van hen werd van de slacht gered en ontsnapte, hij riep het uit tegen hen die hun zinnen erop gezet hadden om Hem te doden. Maar de Heer van de schapen bevrijdde Hem uit hun handen en deed Hem tot Hem opstijgen om daar te verblijven.
53 Vele andere schapen stuurde Hij naar hen toe om te getuigen en geëmotioneerd over hen te rouwen.
54 Ik merkte op dat, op het moment dat zij het huis van de Heer en Zijn toren verlieten, zij volledig afvallig en verblind werden. Ik zag dat de Heer van de schapen tijdens het weiden een grote slachting onder hen aanrichtte, totdat ze het naar Hem uitriepen vanwege deze slachting.
55 Daarop vertrok Hij van die plaats en leverde hen over aan leeuwen, tijgers, wolven, hyena’s, in de hand van vossen en allerlei wilde beesten.
56 De wilde beesten begonnen de schapen te verscheuren. Ik zag dat Hij het huis van hun vaders en de toren in de steek liet en overgaf aan de leeuwen en alle wilde beesten om hen te verscheuren en te verslinden.
57 Ik begon uit alle macht te schreeuwen en een beroep te doen op de Heer van de schapen omdat ze door al die wilde beesten verslonden werden.
58 Maar Hij bleef er onbewogen onder, hoewel Hij het zag, Hij verheugde zich erover dat zij verslonden, opgegeten en afgevoerd werden. Hij leverde hen in de macht van de beesten over om tot hun voedsel te dienen.
59 Hij riep zeventig herders en droeg de schapen aan hen over zodat zij hen zouden weiden. Hij sprak tot deze herders en hun metgezellen: ‘Laat ieder van u vanaf dit moment de schapen weiden en doe alles wat ik u beveel.
60 Op nummer draag ik ze aan u over en ik zal u vertellen welke schapen vernietigd moeten worden, dezen moet u doden.’
61 Hij droeg de schapen dus aan hen over en riep iemand anders die Hij de opdracht gaf: ‘Let goed op en noteer alles wat deze herders doen voor deze schapen, want zij zullen meer schapen laten vergaan dan dat ik hen bevolen heb.
62 Noteer elke buitensporigheid en vernieling die door de herders wordt veroorzaakt. Hoeveel er worden geslacht omdat ik het zeg en hoeveel zij op eigen initiatief vernietigen. Van iedere herder afzonderlijk moet u opschrijven wie vanwege deze herder verloren gaat.
63 Op grond van deze getallen zal ik een afweging maken, hoeveel zij zelf hebben gedood en hoeveel zij hebben overgegeven aan vernietiging, dan zal ik dat tot een getuigenis tegen hen hebben. Ik wil elke handeling van de herders kennen zodat ik, omdat ik de schapen aan hen heb overgedragen, zal zien wat ze doen en weten zal of ze blijven bij de geboden die ik hen gegeven heb of niet.
64 Zij zullen hier niet vanaf weten en u mag het hen niet vertellen of hen hierover vermanen. U moet alleen de vernietigingen opschrijven die iedere herder tijdens zijn periode zal veroorzaken en overhandig deze aan mij.’
65 Toen zag ik dat zij begonnen met het doden en vernietigen van meer dan hen bevolen was, zij leverden de schapen in handen van de leeuwen over.
66 De leeuwen en tijgers aten de meeste schapen op, terwijl de wilde beren met hen meeaten, zij verbrandden de toren en vernielden het huis.
67 Hierna had ik er groot verdriet over dat de toren en het huis van de schapen was vernietigd. Ik kon niet meer zien of zij het huis nog binnengingen.
68 De herders en hun metgezellen leverden de schapen over aan de wilde beesten om hen te laten verslinden. Iedereen kwam op zijn tijd aan de beurt, per persoon werd opeenvolgend in een boek genoteerd en op volgorde opgeschreven hoeveel hij er vernietigd had, het stond allemaal in dat boek.
69 Iedereen sloeg en vernietigde veel meer dan was voorgeschreven.
70 Ik begon te huilen en was verontwaardigd over deze schapen. In het visioen keek ik naar degene die schreef, hoe Hij ieder (schaap) wat vernietigd werd door deze herders noteerde, dag aan dag. Hij pakte het boek op en legde dit boek voor de Heer van de schapen neer. Hij toonde alles wat over hen ging, wat ze gedaan hadden, waar zij hun tijd aan besteed hadden en iedereen die zij aan de vernietiging overgeleverd hadden.
71 Het boek werd aan de Heer van de schapen voorgelezen, Hij nam het boek van Hem aan, verzegelde het en legde het naast zich neer.
72 Hierna zag ik de herders twaalf uur lang weiden, en zie, drie van de schapen keerden terug naar het huis, zij kwamen aan, gingen naar binnen en herstelden alles wat vernield was.
73 De wilde beren trachtten hen te verhinderen maar waren daartoe niet in staat. Zij begonnen te bouwen zoals daarvoor en richtten de toren, die de hoge toren genoemd werd, weer op. Opnieuw zetten zij een tafel voor de toren, maar al het brood wat erop lag was vervuild en onzuiver.
74 Doordat zij hiervan namen werden de ogen van deze schapen verblind waarna ze niet langer konden zien. Dat gold ook voor hun herders. Hierdoor werden zij massaal ter slachting aan hun herders overhandigd, zij vertrapten de schapen onder hun voeten en aten ze op.
75 De Heer van de schapen bleef stil totdat alle schapen in het veld gedood waren. De herders en schapen verbleven daar samen, maar zij redden hen niet uit de macht van de beesten. 76 Degene die dit alles in een boek schreef nam het mee naar omhoog, toonde het de Heer van de schapen en las het Hem voor in Zijn woning. Hij nam het op voor hen en bad voor hen en legde Hem iedere daad van de herders voor.43
77 Hij stond voor Hem en getuigde tegen al deze herders. Deze nam het boek, legde het naast zich neer en vertrok.
